In memoriam dr. Adrie Drint

27 Juni 2016

‘Tot ziens’, dat waren de laatste woorden die Adrie tot meer dan een van ons sprak. Niet een achteloze groet, maar een weloverwogen afscheid. Nu al, nog midden in de kracht van haar leven. Wat hadden we haar graag nog veel langer onder ons gehad.

Bijna 22 jaar was zij in ons midden, aan de Theologische Universiteit van Apeldoorn, in augustus 1994 benoemd als universitair docente Hebreeuws en Aramees. Zij had een dubbele primeur aan de TUA, als eerste vrouwelijke docente in een mannelijk gezelschap, en als eerste vrijgemaakte collega in een christelijk gereformeerd milieu. Geen enkel probleem, op een volkomen natuurlijke wijze nam zij haar plaats aan de TUA in.

Op haar rustte een grote verantwoordelijkheid: elke nieuwe jaargroep studenten kreeg in de propedeuse juist van haar veel colleges. Zij moest hen over de drempel zien te krijgen, zij was het die hen bracht bij de eerste beginselen van de oertaal van de Bijbel, het Hebreeuws. Aleph, beth, gimel - stapsgewijs wijdde zij de studenten in in het drinken bij de Bron. Voor veel studenten best moeilijk, het leren van een nieuwe en zo geheel andere taal dan zij gewend zijn. Maar in Adrie hadden zij een docente die met veel liefde en toewijding hen daarin wilde leiden. En die dat ook deed op een uitstekend niveau. Haar werk kenmerkte zich door een grote precisie en accuratesse, haar tentamens waren voorbeeldig. Bij een onderwijsvisitatie, enkele jaren geleden, werd haar vak door de commissie eruit gehaald, nader bekeken en zeer geprezen - dat kwam de TUA ten goede.
 
Zij was een docente op hoog niveau die veel van haar studenten vroeg, maar nog veel meer aan hen gaf. Nog weer extra begeleiding, nog meer uitleg en aanwijzingen – wat een engelengeduld kon zij opbrengen in het gaan van een mijl verder voor studenten die het niet goed konden bijbenen.
 
Dit was Adrie – over de hele linie een bescheiden, rustige, trouwe inzet. Inzet voor het werk aan de TUA – te denken is ook aan al die jaren dat zij in de opleidingscommissie zat - en voor de mensen aan de TUA. Hoeveel kaarten heeft ze niet geschreven, tot op het laatst toe. Hoezeer leefde ze niet mee met iedereen, vroeg hoe het met anderen ging. En dan dat vleugje humor daar altijd weer bij, een kwinkslag, zo’n grijnslachje om haar mondhoeken en pretlichtjes in haar ogen.

Tegelijk was zij iemand die als zij een punt had, dat ook duidelijk kon máken, en daaraan vasthouden. Dat kwam haar vele jaren geleden van pas, toen zij toegang vroeg – en kreeg – in het beroemde St-Catharinaklooster aan de voet van de Sinai, om daar onderzoek te doen in een oud manuscript van IV Ezra. Zoiets krijgt vrijwel niemand voor elkaar, zij wel. Zij had een heel eigen onderzoekslijn, de Arabische versie van IV Ezra, bijbelvertaling in het Gronings, soms een exegetisch detail, maar vooral de bestudering van Joodse grafopschriften. Wat een vreugde voor haar dat zij vorig jaar nog de publicatie meemaakte, na jaren wachten, van het boek Een eik van geween. De Joodse begraafplaatsen in de provincie Drenthe. Een groot gedeelte daarin is van haar hand, met een kraakhelder en instructief overzicht van het Joodse begraven: geschiedenis, gebruiken, plaatsen, de stenen met de inscripties. Waar ze trots op was, is dat in dit boek ook veel foto’s staan die ze zelf heeft gemaakt. In Drenthe, maar ook in Israël.

Genoten heeft ze van de drie Israëlstudiereizen die de TUA georganiseerd heeft. Prachtige plakboeken die ze maakte, getuigen daarvan. Ze oogstte grote bewondering bij de studenten, toen die haar eens in de sjoek van Jeruzalem in rad Arabisch met een verkoper zagen en hoorden onderhandelen. Adrie had een bijzondere, eigen persoonlijkheid. We zien haar nóg die wandeling maken, iedere keer vanuit Sauwerd gekomen, van station Apeldoorn naar de TUA of andersom. Haar karakteristieke houding: iets gebogen met een grote rugzak om, haar gezicht enigszins ingekapseld door haar haar. Zo liep zij, talloze malen.

Wat zullen we haar missen. Haar stille, rustige inbreng. De laatste maanden heeft ze haar werk afgerond, haar opvolger Henk de Waard nog voorzien van boeken en documenten, een soort erfenis. Zelf heeft ze alles overgegeven, om voor anker te gaan bij haar Heer en Heiland. Op de eerste Pinksterdag, ’s middags in het hospice, sprak ik met haar over het Evangelie in al die talen en over al die volken die de HERE God op het oog had om te redden, en ik noemde er zo een paar: Parthen, en Meden, en Elamieten. ‘Ja, en Groningers’, vulde ze aan. Dat was Adrie. Zo zullen we in Apeldoorn ons haar herinneren, in dankbaarheid voor wat ze deed, voor wat ze gaf, maar nog meer voor wie ze was in ons midden. Tehi nafsjah tseroera bitseror hachajjiem – ‘Moge haar ziel gebundeld zijn in de bundel van de levenden.’ Soli Deo Gloria.
 

« Nieuwsarchief